Over het Recht van Oorlog en Vrede | 400 jaar | Longread
Het is 2025 en het internationale recht lijkt ‘op sterven na dood’. Het is nooit een heel florissante tak van het recht geweest, maar in de periode na het eind van de Koude Oorlog en na het imploderen van de Sovjet Unie, leek er kans op (en wellicht een ontwikkeling naar) een werkende internationale rechtsorde. Op dit moment is dat niet meer aan de orde. Overal ter wereld legt het internationale recht en de internationale samenwerking het af tegen de werkelijkheid van machtspolitiek, oorlog en geweld, en schendingen van mensenrechten.
Het is 2025 en het is 400 jaar geleden dat Hugo de Groot zijn boek “Over het recht van oorlog en vrede” schreef….
I
Hersch Lauterpacht (1897-1960), werd geboren in Zjovka (in het huidige Oekraïne). Zijn jeugd werd sterk beïnvloed door de Eerste Wereldoorlog. In de Jaren 20 studeerde hij (Internationaal) Recht bij Hans Kelsen in Wenen. Daarna verbond hij zich aan de London School of Economics, om in 1938 benoemd te worden tot Hoogleraar Internationaal Recht in Cambridge, een functie, die hij bekleedde tot 1955. Van 1955 tot 1960 was hij rechter in het Internationaal Gerechtshof in Den Haag.
In 1946 (een jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog) schreef Lauterpacht een essay voor de British Yearbook of International Law onder de titel “The Grotian Tradition in International Law”. Na twee wereldoorlogen en na het falen van de Volkenbond om de tweede te voorkomen, ging hij terug naar de basis van het internationale recht: Hugo de Groot. Lauterpacht erkent dat ook vóór Grotius geleerden als Gentili en Vittoria al waardevolle bijdragen leverden aan de ontwikkeling van het denken over het recht tussen volkeren. Maar hij beschouwt Grotius toch als de daadwerkelijke grondlegger, met name met zijn geschrift ´De Jure Belli ac pacis´. Als hij de vraag stelt: wat maakt ‘De Jure Belli ac Pacis’ tot één van de fundamentele werken in de Europese geschiedenis, dan is zijn antwoord: “dat de voornaamste en karakteristieke kenmerken van “De Jure Belli ac Pacis” identiek zijn aan de fundamentele en aanhoudende problemen van het internationale recht, en dat de leer van Grotius in bijna al deze problemen vereenzelvigd is geraakt met de vooruitgang van het internationale recht als een echt rechtssysteem, zowel in zijn juridische als in zijn ethische inhoud.”
Hugo de Groot (1583-1645) is zeker geen ‘heilige’, en zo beschrijft Lauterpacht hem ook niet. IJdelheid en koppigheid zijn Grotius niet vreemd. Zo besteedt hij veel energie aan het bewaken van zijn status als gezant van Zweden in Parijs, en vecht hij menige ruzie uit met de drukkers aan wie hij zijn manuscripten uitbesteedt. Als jurist werkt hij onder meer voor de belangen van de Verenigde Oost Indische Compagnie, een bedrijf met de omvang van een multinational en de houding van een staat in de staat. Als politicus staat hij weliswaar aan de kant van Johan van Oldenbarnevelt, hetgeen hem zijn vrijheid kost, en zijn loopbaan in de Verenigde Nederlanden, maar soms is hij daarin aarzelender en dubbelzinniger dan je (met de blik van nu) zou willen. Als gezant voor Zweden verdedigt hij de positie van zijn broodheer in de Europese machtsstrijd van de 30-jarige Oorlog, ook als daarin (met de blik van nu) onverdedigbare elementen zitten.
Zelf beschouwde Grotius het (internationale) recht als slechts één van de vele gebieden, waarop hij zich als wetenschapper bewoog, en niet eens het belangrijkste. Veel van zijn geschriften bewegen zich op het terrein van de theologie. Zo publiceert hij een commentaar op het Nieuwe Testament, en neemt hij deel aan de vele verhitte discussies, die er in en tussen kerken en geloofsgemeenschappen gaande zijn. Discussies, die (wederom met de blik van nu) sterk aan relevantie hebben ingeboet. Hij is daarin een verzoener, zowel in het conflict tussen Remonstranten en Contraremonstranten in de Nederlanden, als ook in het grotere conflict tussen de Katholieke Kerk van Rome en de Reformatie. Als hij op zijn sterfbed in Rostock (op de terugreis vanuit Zweden, waar hij geen nieuwe diplomatieke post krijgt aangeboden) terugkijkend op zijn leven vindt dat hij gefaald heeft, dan is dat omdat hij er niet in geslaagd is om een wezenlijke bijdrage te leveren aan de eenheid van de kerk.
Voordat we dieper in kunnen gaan op het recht van oorlog en vrede, zoals beschreven door Grotius, moeten we stil staan bij een fundamentele rechtsfilosofische vraag, namelijk wat bepaalt of iets ‘recht’ is. En daarmee komen we bij de tegenstelling tussen positief recht en natuurrecht. De positivisten stellen dat het recht datgene is wat als recht door mensen is vastgelegd, in wetten, verdragen, regels, jurisprudentie. Dat recht verandert dus mee met de veranderingen, zoals die zich in de maatschappij voordoen. En dat recht kan dus verschillen van cultuur tot cultuur, van land tot land. En uiteindelijk staat het dan dus los van iets als moraal. Het natuurrecht daarentegen gaat uit van een hoger, universeel geldend recht, waaraan je het geldende recht altijd moet toetsen. Het mag duidelijk zijn, dat het innemen van een positie op de uiteinden van deze tegenstelling leidt tot forse consequenties (en onmogelijkheden), en dat geldt voor beide uiteinden.
Als je dan een meer evenwichtige plek op dit spectrum wil innemen en een synthese wil bereiken tussen het natuurrecht als fundamentele basis van het recht (zonder welk het recht elke morele of principiële grondslag zou ontberen) en het positief recht (zonder welk het recht elke consistentie en bruikbaarheid in de rechtspraktijk zou ontberen), dan vind je in die zoektocht Grotius aan je zijde. Maar hij is verre van helder als het gaat om een bruikbare uitkomst van zijn zoektocht. Want naast het positieve recht van zijn tijd (hij noemt het ‘vrijwillig recht’, feitelijk het recht dat men vrijwillig creëert en vastlegt en waaraan men zich vrijwillig onderwerpt), onderverdeeld in het recht geldend binnen specifieke menselijke gemeenschappen en het recht dat geldt tussen die gemeenschappen (naties, volken, staten), kent hij vele begrippen, die aan de kant van het ‘natuurrecht’ staan. Soms noemt hij het specifiek ‘natuurrecht’: niet vatbaar voor verandering, zelfs – frappant genoeg – bij Grotius ook niet door God zelf. Maar daarnaast introduceert hij allerlei andere begrippen, als ‘goedheid’, ‘gematigdheid’, ‘grootmoedigheid’, ‘eer’ en ‘ridderlijkheid’. En wat onder bijvoorbeeld het volkenrecht wel zou zijn toegestaan, kan zeer wel op hetzelfde moment op een van die andere gronden beslist niet zijn toegestaan.
Wat was het doel, dat Grotius nastreefde met het schrijven van De Jure Belli ac Pacis? Lauterpacht citeert Grotius zelf: “Volledig overtuigd … dat er een gemeenschappelijke wet is onder de naties, die zowel voor oorlog als in oorlog geldt, heb ik vele en gewichtige redenen gehad om over dit onderwerp te schrijven. In de hele christelijke wereld zag ik een gebrek aan terughoudendheid met betrekking tot oorlog, waarvoor zelfs barbaarse rassen zich zouden moeten schamen; Ik merkte op dat mensen naar de wapens grijpen om lichte redenen, of om helemaal geen reden, en dat wanneer de wapens eenmaal zijn opgenomen, er geen respect meer is voor de wet, goddelijk of menselijk; het is alsof er, in overeenstemming met een algemeen decreet, openlijk razernij is losgelaten voor het plegen van alle misdaden”
Er is veel af te dingen op De Jure Belli ac Pacis, zowel op methode als op inhoud. Het boek is niet het geordende, logisch opgebouwde handboek, zoals je je dat zou wensen: onduidelijke of ontbrekende definities van wat kernbegrippen lijken, en vele uitweidingen, die er vooral toe lijken te dienen de belezenheid van de schrijver te etaleren (Voltaire zei, dat hij verveeld werd door de geleerde citaten van Grotius, die zich voordeden als argumenten). Inhoudelijk is de voornaamste en scherpste kritiek, dat het boek zeer wel gelezen kan worden als een krachtige bevestiging van de macht en van de status quo. Grotius rechtvaardigt slavernij op basis van het natuurrecht. Hij bevestigt op geen enkele manier de soevereiniteit van het volk en het recht om in opstand te komen tegen de heersende vorst. En hij gaat zeker niet uit van de onrechtmatigheid van oorlogvoering per se. Daarbij billijkt hij allerlei praktijken die in de (toenmalige) oorlogvoering gangbaar waren, zoals het vernietigen van oogsten, het platbranden van hele steden, het doden of tot slaaf maken van burgers. Het is bekend, dat de Zweedse koning Gustav Adolph een kopie van het boek bij zich had tijdens zijn veroveringen op Duits gebied.
Grotius schrijft het boek in een overgangstijd tussen twee politiek-maatschappelijke systemen. Het feodale Europa, gebaseerd op de macht van vorsten en vorstenhuizen, het verwerven van gebied door geweld of door strategische huwelijken, de vazallen als loyale of minder loyale onderaannemers van die macht, de horigheid van de inwoners, kortom het Europa van de Soevereine Vorsten, liep ten einde. En het Europa van Soevereine Staten, geabstraheerd van personen, nam een aanvang met de Vrede van Münster (tussen de Nederlanden en Spanje) en de Verdragen van Münster (tussen het Heilige Roomse Rijk en Frankrijk) en Osnabrück (tussen het Heilige Roomse Rijk en Zweden), tezamen vormend de Vrede van Westfalen. 1648 is niet het absolute breukpunt tussen beide systemen, maar wel het begin van een ontwikkeling naar een internationale orde gebaseerd op staten, zoals die zich in de daaropvolgende eeuwen voordeed. Grotius had graag namens Zweden deel genomen aan al de onderhandelingen voor en in 1648; het was hem niet gegeven.
II
Wat zijn volgens Lauterpacht de voornaamste karaktertrekken van de ‘Grotiaanse traditie’?
Allereerst stelt Grotius vast, dat het totaal van alle internationale betrekkingen onderworpen is aan het Recht (de Rule of Law). Daarbij wil hij van geen uitzonderingen weten. Bijvoorbeeld de gedachte dat Staten geen rechtvaardiging nodig hebben voor het voeren van oorlog werpt hij verre van zich (zie onder 6). Maar ook ontkent hij een absoluut en ongekwalificeerd recht op zelfbehoud en zelfverdediging. Staten maken deel uit van een onderling verweven internationale gemeenschap en zijn alle gebonden aan het internationale recht. Hij bouwt daarmee voort op Suarez, die in 1612 schreef: “De mensheid, hoewel verdeeld in talrijke naties en staten, vormt een politieke en morele eenheid die verbonden is door naastenliefde en mededogen; daarom, hoewel elke republiek of monarchie autonoom en zelfvoorzienend lijkt te zijn, is geen van hen dat, maar heeft elk van hen de steun en broederschap van anderen nodig, zowel in materiële als in morele zin.” Voor Grotius was die gemeenschap van staten met regels van internationaal recht ook niet beperkt tot de Christelijke wereld, maar makten ook de naties of staten uit de ‘ongelovige wereld’ er deel van uit.
Ten tweede stelt Grotius dat het recht dat tussen staten geldt niet uitsluitend het product is van de door hen geuite wil. Hij aanvaardt – naast het vrijwillige ius gentium, zoals dat gemanifesteerd wordt in de internationale praktijk tussen staten – ook het Natuurrecht als onafhankelijke bron van het Internationale Recht. En hij beschouwt dat als ‘vanzelfsprekend’ (‘self-evident’). De betekenis van het Natuurrecht in De iure Belli ac Pacis is – zegt Lauterpacht -: “dat het de altijd aanwezige bron is om het vrijwillige volkenrecht aan te vullen, om de geschiktheid ervan te beoordelen in het licht van ethiek en rede, en om de lezer bewust te maken van het feit dat de wil van staten niet de enige of zelfs in laatste instantie de beslissende bron van het volkenrecht kan zijn”. Lauterpacht laat zien dat ook de positivisten als Bynkershoek, Hall en Kelsen, allen ergens een element van natuurrecht inbouwen, soms met een andere aanduiding. In het Internationale Recht zoals zich dat in de eeuwen na Grotius ontwikkelde, moest het natuurrecht wel – bij gebrek aan ‘gewone’ wetgevende en rechtsprekende organen – een erkenning krijgen als rechtsbron. In het Statuut van het Internationaal Gerechtshof is dat terecht gekomen in artikel 38 (3) (waar de bronnen staan opgesomd waarop het Hof zich moet baseren) als: ‘de door beschaafde naties erkende algemene rechtsbeginselen’. Bij dit alles gaat het niet om de inhoud van het Natuurrecht, want dat is inderdaad ook gebruikt als legitimering van zaken die je dubieus kunt noemen. En zeker is de claim terecht dat het Natuurrecht vaag kan zijn of arbitrair. Maar dat is dan nog steeds verre te verkiezen boven een systeem waarin alleen het recht van de macht geldt, of van het ‘naakte geweld’. Grotius heeft het Natuurrecht geseculariseerd. Hij gaf het, zegt Lauterpacht, “aanvullend gezag en waardigheid door het een integraal onderdeel te maken van de vestiging van een rechtssysteem, dat essentieel werd voor het beschaafde leven.”
Ten derde bevestigt Grotius de Sociale Natuur van de mens als basis van het Natuurrecht. Zijn Natuurrecht is gebaseerd op en komt voort uit zijn beeld van de natuur van de mens als “een wezen dat intrinsiek bewogen wordt door een verlangen naar het sociale leven, begiftigd met een ruime mate van goedheid, altruïsme en moraliteit, en in staat is om te handelen volgens algemene principes en om te leren van ervaring”. Grotius erkent dat de mens een dier is, maar van een andere soort. En daarmee zijn we aangekomen bij een van de centrale problemen – zo niet het centrale probleem – van de politieke theorie. Machiavelli en Hobbes gingen uit van het tegengestelde, pessimistische mensbeeld: antisociaal en slechts eigenbelang nastrevend. Grotius (en ook Locke) staan daar diametraal tegenover. In De Iure Belli ac Pacis doet Grotius zowel een beroep op moraliteit (met begrippen als liefde, Christelijke plicht, eer en goedheid) als op rationaliteit (het maken van rationele keuzes en het leren van ervaring). Velen, zowel in de wetenschap als in de politiek, hebben gewezen op het absurde gegeven, dat moderne “beschaafde” staten in hun onderlinge relaties in een soort primitiviteit zijn blijven hangen, die tegengesteld is aan de wijze waarop zij binnen de staat de onderlinge relaties tussen burgers regelen. En die primitiviteit, zo erkennen velen, bedreigt de ontwikkeling en zelfs uiteindelijk het bestaan van staten en van de wereld als geheel. Maar vervolgens wordt dan vaak de pessimistische conclusie getrokken, dat regeringen en volkeren toch nooit de ultieme oplossing zullen aanvaarden van onderwerping aan een systeem van internationaal recht, waarbij zij (een deel van) hun soevereiniteit moeten opgeven. Grotius aanvaardt die pessimistische benadering niet, en – in zijn voetspoor – ook Lauterpacht niet..
Ten vierde stelt Grotius dat staten en individuen op dezelfde analoge wijze zijn gebonden aan regels van moraal en van recht. Die analogie is er niet in gelegen dat staten een soort van menselijke hoedanigheid aannemen, maar – eenvoudiger – in het feit dat staten bestaan uit individuele mensen. Lauterpacht stelt: “Het individu is de ultieme eenheid van al het recht, zowel internationaal als nationaal, en wel in de dubbele betekenis dat de verplichtingen van het internationale recht op hem betrekking hebben en dat de ontwikkeling, het welzijn en de waardigheid van de individuele mens van direct belang is voor het internationale recht.” Staten zijn de directe subjecten van het internationale recht, individuele mensen de uiteindelijke. Een bijkomend effect van die principiële analogie, is dat het internationale recht kan ‘lenen’ uit de regels zoals die tussen individuen binnen een staat gelden. Wat tussen mensen en groepen mensen geldt, kan op analoge wijze ook gelden tussen staten, want die regels maken deel uit van ‘de door beschaafde naties erkende algemene rechtsbeginselen’.
Ten vijfde verwerpt Grotius op niet mis te verstane wijze de idee van de ‘Raison d’état’ (het staatsbelang). De Iure Belli ac Pacis is een afrekening met het belangrijkste werk van Machiavelli ‘Il Principe’, geschreven tussen 1513 en 1515 en uitgebracht in 1532. Grotius acht het beneden zijn waardigheid om een directe polemiek aan te gaan met Machiavelli, maar al direct in het begin van zijn verhandeling stelt hij dat het belangrijk is kennis te hebben van het recht in de relaties tussen staten, want “er zijn dezer dagen personen die het recht met verachting beschouwen, die vinden dat voor een heerser of een staat niets ongerechtvaardigd is dat opportuun is, en dat de staat niet kan handelen zonder onrecht”. Grotius citeert met instemming Cicero als die zegt, dat “beschamende acties niet mogen worden uitgevoerd zelfs niet in het belang van iemands land”. Het kenmerk van wijsheid voor een heerser, zegt Grotius, is dat hij handelt niet alleen in het belang van het eigen land, maar in dat van de gehele mensheid; en ook dat laatste is uiteindelijk in het belang van de eigen staat. Deze afwijzing van het staatsbelang als enkele rechtvaardiging wordt uitgewerkt voor concrete situaties: de afwijzing van het ongeclausuleerde recht tot het voeren van oorlogen en van het ongeclausuleerde recht op zelfverdediging; het recht (zelfs de plicht) deelname aan onrechtvaardige oorlogen te weigeren; en de plicht om afspraken en verdragen na te komen (pacta sunt servanda). In de eeuwen na Grotius is op vele (meer of minder subtiele) manieren geprobeerd iets af te doen aan deze rigoureuze afwijzing van de ‘Raison d’état’ onder verwijzing naar ‘realisme’, naar ‘onvermijdelijkheid’ (de daden van deze of gene staatsman zijn weliswaar niet bewonderenswaardig of te vergoelijken, maar je moet ze toch zien in het licht van….). Het internationale recht is in de opvatting van Grotius niet alleen een vorm van onderlinge coördinatie; het is een verplichting.
Het onderscheid tussen gerechtvaardigde en niet-gerechtvaardigde oorlogen was ook al voor Grotius gemaakt. Augustinus ontwikkelde al de notie van een al dan niet gerechtvaardigde oorlog en later deden ook de Vittoria en Suarez dat met een juridisch inzicht en een morele hartstocht, die niet onderdeed voor die van Grotius. De waarde van zijn bijdrage is gelegen in de helderheid van zijn argumentatie. Een gerechtvaardigde oorlog moet ten allen tijde een juridische basis hebben, zoals bijvoorbeeld een feitelijke of directe bedreiging. Daarbij sluit hij uit dat oorlogen gevoerd zouden mogen worden om een mogelijke tegenstander te verzwakken. Het enkele feit dat een mogelijke tegenstander zich versterkt, is onvoldoende: als je buurstaat fortificaties bouwt aan jouw grens, dan bouw je maar je eigen fortificaties, maar je trekt niet ten strijde. “Voordeel” is bij Grotius nooit een rechtvaardiging van oorlog. Consequent stelt hij dat een derde staat, die bij verdrag verbonden is met een staat, die een ongerechtvaardigde oorlog begonnen is, niet de verplichting heeft de verdragspartner te steunen. En ook op het niveau van de individuele onderdanen van een staat geldt, dat die niet de plicht hebben om het bevel tot deelname aan de oorlog op te volgen; integendeel, zij hebben de plicht dat te weigeren.
In de drie eeuwen na Grotius is deze gedachtegang terzijde gelegd. Oorlog werd in die periode – ook door (internationaal) rechtsgeleerden – beschouwd als het recht van soevereine staten, feitelijk zelfs de essentie van die soevereiniteit. In 1946 beschouwde Lauterpacht die periode als ten einde met de ontwikkeling van de Volkenbond via het Verdrag van Parijs van 1928 (het Briand-Kelloggpact) tot aan het Handvest van de Verenigde Naties.
Op basis hiervan ontwikkelt Grotius de doctrine van gekwalificeerde neutraliteit. Als derde staat (de staat, die buiten de oorlog blijft) mag je niets doen dat de macht van een staat, die onrechtvaardige oorlog voert, vergroot. Andersom heb je als derde (neutrale) staat niet de verplichting de staat die een gerechtvaardigde oorlog voert te helpen, maar je hebt daar wel het recht toe. Zo kan je het recht van doorgang verlenen aan de staat, die een gerechtvaardigde oorlog voert, en moet je die weigeren aan een staat, die een ongerechtvaardigde oorlog voert. Deze doctrine werd in de 19e eeuw van de hand gewezen door (internationaal) rechtsgeleerden, hetgeen logisch is: als je feitelijk elke oorlog als gerechtvaardigd beschouwt, dan is neutraliteit ook absoluut. Met het Convenant van de Volkenbond, maar vooral ook met het Handvest van de Verenigde Naties, is absolute neutraliteit problematisch. Lidstaten van de Verenigde Naties zijn feitelijk gebonden aan die maatregelen tegen een agressor, die door de Veiligheidsraad worden afgekondigd (sancties van enigerlei aard of zelfs collectieve actie).
Een centraal element bij dit alles wordt gevormd door de bindende kracht van beloften: pacta sunt servanda. Staten zijn gehouden aan gedane beloften en gesloten verdragen, en zijn er aan gehouden die ‘te goeder trouw’ uit te voeren. Grotius beschouwt dit niet alleen als de kern van het internationaal recht, maar van het ‘sociaal contract’ tussen mensen. Zonder dat is het ‘sociaal contract’ zonder betekenis. En ook deze regel geldt altijd en overal, ook bijvoorbeeld voor beloften aan of afspraken met ‘niet-Christelijke’ naties.
Op één punt lijkt Grotius fundamenteel af te wijken van de geest van zijn werk, namelijk zijn houding ten opzichte van de fundamentele rechten en vrijheden van het individu ten opzichte van een gevestigde autoriteit. Al eerder heb ik aangegeven dat Grotius slavernij rechtvaardigt, en dat hij het recht om in opstand te komen tegen een onderdrukkende heerser niet aanvaardt. Dat laatste is frappant, aangezien hij is voortgekomen uit en heeft gewerkt in de Republiek der Verenigde Nederlanden, die nou juist zijn fundamentele basis vond in de Acte van Verlatinghe, waarmee men zich losmaakte van de onderdrukkende Spaanse koning Philips II. Volgens Lauterpacht is de kern van deze (conservatieve) zienswijze gelegen in een hang bij Grotius naar ‘orde’ (en vrede gebaseerd op orde en op het vermijden van conflict). Hij gaat zo ver dat hij overwonnen volkeren de raad geeft ‘zich in hun lot te schikken’, want “de Rede verkiest het leven boven de vrijheid”. Toch geeft ook Grotius een aantal behoorlijke uitzonderingen op de algemene regel, dat je niet in verzet mag komen tegen een heerser. Zo mag je je verzetten tegen een vorst, die zijn macht de facto heeft opgegeven, of die zijn gebieden wil vervreemden aan een andere vorst; en zelfs tegen een vorst “die zichzelf openlijk de vijand toont van het hele volk” (wat in zijn rekbaarheid nogal een uitzondering is). In het verlengde hiervan mag in de optiek van Grotius een staat ten oorlog trekken tegen een andere staat, die zijn onderdanen op een zodanig ongerechtvaardigde manier behandelt, dat een humane samenleving daartegen wel in verzet moet komen. In moderne termen is dit al een voorloper van de doctrine van de ‘humanitaire interventie’.
Alhoewel Grotius, zoals we hierboven zagen, van opvatting is dat er ‘gerechtvaardigde oorlogen’ gevoerd kunnen worden, ademt zijn hele werk zijn overduidelijke afkeuring van oorlog en geweld. In niets volgt hij de gedachte van Francis Bacon dat de oorlog een ‘gezonde oefening’ zou zijn. Als er geen rechtvaardiging is voor een oorlog, mag die niet gevoerd worden. Maar ook als die rechtvaardiging er wel is of lijkt te zijn, dan nog waarschuwt hij tegen overhaaste besluiten. Grotius stelt allerlei alternatieve methoden voor om conflicten te beslechten, zoals onderhandelingen en bemiddeling, het houden van conferenties etc. En in die zin is hij de advocaat van het idee van Vrede als wenselijke situatie.
Tenslotte plaatst Lauterpacht het werk van Grotius in de traditie van Idealisme en Vooruitgang als een groter geheel. Naast zijn nauwgezette beschrijving van het recht van oorlog en vrede, zoals hierboven besproken, heeft hij op vele terreinen van internationale betrekkingen en samenwerking waardevolle eerste stappen gezet, of het nu gaat om de samenwerking bij de uitlevering van misdadigers, de uitwerking van de diplomatieke immuniteit, of zijn werk ten aanzien van de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van staten. Zijn aandeel in de ontwikkeling van het principe van de Vrije Zee en de vrije handel (eerder al beschreven in zijn De Mare Liberum) staat buiten kijf, als ook zijn sterke pleidooien voor het recht op doorgang (passage), voor vestiging buiten de eigen staat en asiel. Met alle eerder aangeduide onvolkomenheden (in methodiek, in helderheid en consistentie, en op sommige punten in onverdedigbare uitkomsten), is het werk van Grotius enerzijds de basis voor het praktische internationale recht, zoals het zich na hem ontwikkelde, maar anderzijds – en belangrijker – is het een pleidooi voor het recht zoals het zou behoren te zijn, ook tussen staten en volkeren.
III
Volgend jaar is het 2025: 400 jaar na de publicatie van De Iure Belli ac Pacis. En waar we als mensheid graag geloven in de “vooruitgang”, getuigen de feiten in de wereld om ons heen van het tegendeel. We zijn hoegenaamd niets opgeschoten in het vestigen van een werkende internationale rechtsorde.
In februari 2014 trok de Russische Federatie het Krim-schiereiland binnen, vestigde er het Russische gezag en annexeerde het gebied als onderdeel van de Russische Federatie. Vanaf datzelfde jaar werden in Oost Oekraïne door de Russische Federatie separatistische bewegingen gesteund in een afscheidingsoorlog. In februari 2022 begon de Russische Federatie een volledige invasie-oorlog in Oekraïne, die tot op de dag van vandaag voortduurt. In die oorlog worden alle regels van het oorlogsrecht bij voortduring geschonden. Er wordt op geen enkele manier onderscheid gemaakt tussen burgerdoelen en militaire doelen.