Stefan Zweig – Ongeduld

Het onderwerp van die onenigheid kan iedereen wel raden, als ik vermeld dat ze in 1938 plaatsvond. Latere kroniekschrijvers zullen ooit vaststellen dat in dat jaar vrijwel elk gesprek in elk land van ons angstige Europa beheerst werd door gissingen omtrent de waarschijnlijkheid dan wel onwaarschijnlijkheid van een volgende wereldoorlog….

Dankzij de vervolmaking van de propagandamachinerie had de algehele serviliteit nu al – terwijl het nog volop vrede was – ongelofelijke proporties aangenomen. En men moest het feit helder onder ogen zien, dat vanaf het moment dat de radio het nieuws van de mobilisatie door de woonkamers zou laten schallen van geen enkele zijde verzet te verwachten zou zijn.

Het feitelijk verzet tegen een oorlog stelt volgens mij echter nauwelijks iets voor. Verzet van de enkeling tegen een organisatie vereist een heel ander soort moed dan die waardoor men zich domweg laat meeslepen, namelijk individuele moed. En dat is een uitstervend eigenschap in deze tijd van toenemende organisatie en mechanisering.”

“Gelooft u me maar. De brave, de inschikkelijke patiënten zijn ons lang niet zo lief als u meent. Die bieden je vanuit zichzelf de minste hulp. Voor ons kan een energieke en zelfs rabiate tegenstand vanuit de zieke alleen maar welkom zijn, want wonderlijk genoeg hebben dergelijke, schijnbaar onzinnige reacties soms meer effect dan onze knapste medicijnen. Dus – nogmaals – ik ben volstrekt niet ongerust. Als men nu bijvoorbeeld een nieuwe kuur met haar zou willen beginnen, zou men haar tot elke inspanning in staat achten. Misschien is dit zelfs het juiste ogenblik om de psychische krachten, die juist in haar geval zo beslissend zijn, in te gaan zetten.”

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *