Han Kang – Mensenwerk
“Je kijkt om naar de oude man. Je vraagt hem niet of dit zijn kleindochter is. Je wacht geduldig tot
hij iets zegt, zodra hij zover is… Er zal geen vergiffenis zijn.”
“Juist op het moment dat we honderd procent alert hadden moeten zijn, bezweken we aan vermoeidheid en versluierde de slaap onze ogen en oren. Op de een of andere manier drong het geluid van de deur die voorzichtig op een klein stukje open ging door de nevel van slaap. En toen ik mijn ogen open deed, zag ik een jongen de kamer in glippen. Een middenschool leerling. Dat kon ik zien aan zijn kortgeknipte kop. Hij
sloop naar de bank en ging er met zijn rug tegenaan zitten. ‘Wie ben jij?’ Mijn stem klonk schor van de slaap. ‘Wie ben je en waar kom je vandaan?’ Zodra hij was gaan zitten, had hij zijn ogen stijf dicht
gedaan, en toen hij antwoord gaf, hield hij ze gesloten. ‘Ik ben doodmoe. Ik moet alleen even twee minuten slapen. Hier bij Jinsu’. Jin-su leek van de wereld, maar toen hij die stem hoorde, schrok hij wakker. ‘Dong-ho?’ vroeg hij dringend…..
“De moeder van de jongen, 2010: Zodra ik je zag, ging ik achter je aan, Dong-ho. Je had er flink de pas in, terwijl ik tegenwoordig nogal slecht ter been ben…Jij was het, geen vergissing mogelijk… Het waren jouw smalle schouders, jouw manier van lopen…Ik kan niet begrijpen, waarom ik je naam die dag niet heb geroepen… Maar jij was het niet, he. Nee, je kunt het niet geweest zijn. Ik heb je met mijn eigen handen begraven. Ik heb je sportjack en je hemelsblauwe trainingsbroek uit gedaan, en je het donkere winteruniform aan getrokken over een wit overhemd.
Toen ze je in een triplexkist legden, en die op de vuilniswagen tilde, zei ik dat ik voorin wilde zitten om over je te waken…”
“Dong-ho, ik wil dat je mijn hand pakt en me van dit alles wegleidt, weg naar een plek, waar het licht schijnt, waar bloemen bloeien. De jongen met de slanke nek en dunne zomerkleren loopt over het met sneeuw bedekte pad, dat tussen de graven door slingert. En ik volg hem. De sneeuw is in het hart van de stad al gesmolten, maar hier blijft hij liggen. De jongen stapt in een hoop bevroren sneeuw, zodat de zoom van zijn sportbroek doorweekt raakt.
Geschrokken van de kou draait hij zich naar me om. Hij glimlacht. En de glimlach reikt tot z’n ogen… Zoekend tussen de met sneeuw bedekte graven, vond ik uiteindelijk dat van hem…
Ik staarde zwijgend naar de contouren van flakkerende vlam, die leek op de doorschijnende, fladderende vleugel van een vogel